In een ruimte zo groot als een tennisbaan huizen de meldkamers van de Utrechtse politie, brandweer en ambulancedienst. De centralisten van elke dienst zitten achter een eigen schotje. Ze kunnen met elkaar praten, vragen hoe het weekend was, als ze zich even uitstrekken elkaar zelfs een vuurtje geven. Maar computerinformatie uitwisselen gaat moeilijk. En hun mensen in het veld met elkaar in verbinding brengen, is onmogelijk.
Utrecht is nog voorlijk. Het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid aan de Utrechtse Briljantlaan, met de meldkamers op de derde verdieping, is drie jaar jong en ingericht voor de toekomst. De hoofdkantoren van de drie hulpdiensten delen er de voordeur en in de kelder verschaffen dikke sluisdeuren toegang tot de gasvrije ruimte met het crisiscentrum. De hulpdiensten, de gemeente en eventuele andere betrokkenen kunnen daar bij grote calamiteiten strategisch beleid voeren. Er hangt een scherm voor helicopterbeelden en de ruimte lijkt op de brug van ruimteschip Enterprise. Binnenkort moeten de hulpdiensten echter niet alleen fysiek bij elkaar zitten, maar ook digitaal aansluiten, in de communicatie.
Na de rampen in Enschede en Volendam werd pijnlijk duidelijk hoe kwetsbaar de verbindingen van de hulpverleners waren. Een 'achilleshiel', in de woorden van onderzoeker Oosting. Tijdens de vuurwerkramp raakten de alarmcentrales van de brandweer en de politie overbelast, waardoor contact met het rampgebied bijna onmogelijk was. De politiechef moest op en neer rijden tussen rampgebied en crisiscentrum en improviseerde met briefjes.
Na de cafébrand in Volendam wreekte het zich dat de politie, de brandweer en de ambulancedienst allemaal een ander -soms verouderd- meldkamersysteem hadden, waardoor hulpverleners niet rechtstreeks met elkaar konden spreken. Op het verwijt dat hij het rampenplan nooit in werking stelde, zei de Volendamse burgemeester IJsselmuiden dat hij dit niet kón doen, omdat hij met een niet werkende portofoon in een commandowagen zat.
Wat hieraan gedaan? Al voor deze laatste twee rampen begon het ministerie van binnenlandse zaken met een digitale revolutie binnen de hulpdiensten. En ondanks doorgaans stroperige politieke besluitvorming en stugge bedrijfsculturen binnen de hulpdiensten, ligt Nederland voor op andere landen. Er lopen proeven met de belangrijkste pijlers onder de communicatie-nieuwe stijl en binnen onafzienbare tijd moet de vernieuwing worden doorgevoerd.
Spil van alle informatiestromen moet het GMS worden, het Geïntegreerd Meldkamer Systeem. In Utrecht beginnen ze daar na de zomer mee, over een jaar moeten vijftien regionale meldkamers het systeem hebben. Het GMS helpt de centralist bij een melding. Álle informatie die binnenkomt, kan met een 'digitaal kladblok' in één computersysteem worden ingevoerd, hetgeen het werk van de centralist eenvoudiger moet maken. Deze informatie kan weer in een keer worden opgeroepen door de verschillende hulpdiensten, wat tijd scheelt. GMS moet informatie tussen verschillende hulpdiensten bovendien uitwisselbaar maken. Belangrijk, omdat bij veel grotere incidenten zowel brandweer, als politie en ambulances uitrukken. Het GMS voorkomt dat veel tijd verloren gaat met het doorbellen en opnieuw invoeren van incidentgegevens.
Groot voordeel van het GMS is verder dat er oneindig veel andere systemen op zijn aan te sluiten, zoals de meldingen van de 112-alarmlijn en de Landelijke Informatie Systemen met politie- en justitiegegevens, over bijvoorbeeld veroordeelden. Misschien wel de belangrijkste koppeling is die aan het Geografische Informatiesysteem (GIS). Dit wordt al in een aantal regio's gebruikt, zo ook Utrecht. Jan Hoogstraten, die bij de Utrechtse politie verantwoordelijk is voor GMS en GIS, toont het op een beeldscherm. Over een elektronische kaart van Utrecht bewegen zich vierkantjes met nummers. Het zijn de voertuigen van de hulpdiensten. Ze zijn op weg naar gekleurde, knipperende vierkantjes: de meldingen.
"Het GIS is van groot belang om te zien welke eenheden je beschikbaar hebt en waar die zich bevinden", zegt Hoogstraten. "Zo heb je in een keer het overzicht." Probleem is nog wel dat kaarten van verschillende regio's niet op elkaar aansluiten. "Bij een grote calamiteit rijden die voertuigen een andere regio in en verdwijnen ze van de kaart. Dat veranderen we in de nabije toekomst."
Op de kaart kan naar believe worden ingezoomd. Voertuigen die je wilt zien, moeten een zender bij zich hebben, die via een satelliet de positie doorgeeft. Er kunnen naast voertuigen bijvoorbeeld ook bluswatervoorzieningen op de kaart staan, of gevaarlijke gebouwen. Met een muisklik kunnen op de kaart aanvalsplannen en milieuvergunningen van die gebouwen worden opgeroepen.
Derde paradepaardje van de hulpdiensten moet C2000 worden, een digitaal radionetwerk waarmee Amsterdam experimenteert. Hulpdiensten hebben nu meestal nog allemaal hun eigen regionale, analoge radionetwerken. In totaal zijn er tientallen verschillende. Hulpverleners van verschillende diensten kunnen daardoor niet rechtstreeks met elkaar praten, maar hebben daarvoor steeds de tussenkomst van twee meldkamers nodig. De netten hebben bovendien geen landelijke dekking. Wie de eigen regio verlaat, moet een nieuw kanaal zoeken, dat hij vaak niet uit zijn hoofd weet. Verder is de capaciteit van de netten beperkt, je kunt niet spreken en luisteren tegelijk en het radioverkeer is moeilijk te beveiligen tegen afluisteren door ramptoeristen of criminelen.
C2000 heeft al die nadelen niet. Hulpverleners in het veld kunnen direct met elkaar overleggen, ook van verschillende diensten, door een 'digitale gespreksgroep' op te starten. Door de digitale techniek kunnen de beschikbare frequenties optimaal worden gebruikt, wat het mogelijk maakt tegelijkertijd spraak en data uit te wisselen en de capaciteit optimaal te benutten. Ook kan vertrouwelijke informatie veilig worden verzonden.
De nieuwe mogelijkheden zullen veel van de gebruikers vergen. Zij zullen anders moeten worden opgeleid en ze zullen moeten leren omgaan met de schier onbeperkte mogelijkheden. Welke informatie uit het geïntegreerd meldkamersysteem is acuut van belang als een chemische fabriek in brand staat en hoe selecteer je die? Hoe voorkom je dat elke hulpverlener in het veld z'n eigen digitale gespreksgroep start, waardoor niemand op dezelfde frequentie zat. Praten via de meldkamer was lastig, maar ook gestructureerd.
Volgens Jan Waals van AVD ICT, een particulier bedrijf dat veel voor de overheid werkt, zetten de hulpdiensten nog pas hun eerste stappen op dit terrein. "Op de elektronische kaarten zal te zien zijn waar wolken met giftige stoffen drijven." Als commerciële voertuigen, zoals goederentreinen en vrachtauto's de nodige apparatuur krijgen, zullen ook hun gangen zijn na te gaan op de elektronische kaarten. "Pronk wil geen LPG-wagens meer in woonwijken hebben. Zo kan hij in de gaten houden waar zij zich bevinden."
Indviduele hulpverleners zullen een schermpje meekrijgen, met informatie over een te benaderen object. Waals: "Een agent die op een inbraak afgaat, heeft zo een streepje voor. Hij kan al zien wat de bouwsituatie binnen is. Leidinggevenden kunnen op hun beurt zien waar hun manschappen zich bevinden en zo beter hun verantwoordelijkheid nemen. In de wat verdere toekomst zullen de geautomatiseerde toepassingen nog veel spectaculairder zijn."
Deze website en haar inhoud is niet gepubliceerd door brandweer Zeist, maar een persoonlijk initiatief van Wilfred van Dijk. Hoewel bij het samenstellen van de inhoud van deze site de uiterste zorg is nagestreefd, sluit Wilfred van Dijk iedere aansprakelijkheid uit voor onjuistheden, onvolledigheden en eventuele gevolgen van het handelen op grond van informatie die op of via deze site beschikbaar is.